Een krentenbolletje in de ochtend

Als mantelzorger is het belangrijk om goed voor jezelf te blijven zorgen, vooral als je zelf ook niet meer de jongste bent. Vrijwilligers zijn er dan om de zorg te verlichten. “Mijn man hielpen ze ’s nachts, dan hoefde ik er niet uit als hij moest plassen of als hij het koud had.”


“Toen mijn man zo ziek werd moest ik hulp hebben. Mijn man was COPD-patiënt. Toen werd hij ernstig ziek en hij wou niet naar een hospice. Hij werd niet meer beter werd er gezegd, dus wij wisten dat het einde kwam. Maar je weet niet wanneer natuurlijk.

Toen werd het ’s nachts erger en ik zat maar op en zat maar op en toen heeft de zorg naar de vrijwilligersorganisatie gebeld. En zo hebben we het gered.

Mijn man was heel rustig, ook niet bang. Hij wist dat hij sterven ging. ‘Hier heb ik ook niets, ik kan niets meer’, zei hij dan. ‘Dit is geen leven’, zei hij dan. En dan stond hij op en dan viel hij weer. Oh, verschrikkelijk. Ik kon hem niet tillen, want ik ben niet groot. En hij gaf niet zoveel meer mee, hij was ook wiebelig. Nee, dat was echt geen doen voor mij.

Mijn man hielpen ze ’s nachts, dan hoefde ik er niet uit als hij moest plassen of als hij het koud had. Hij had vreselijke jeuk op het laatst, over het hele lichaam. De vrijwilligers smeerden hem dan ’s nachts weer helemaal in. En mijn man had er geen hekel aan. Ik dacht: dat wil hij nooit, met die vrijwilligers. Maar hij zag aan mij ook dat ik het niet kon, want ik heb het eerst wel allemaal alleen gedaan. Maar dan was ik er uit, had ik hem koffie gegeven en alvast een krentenbol en dan ging ik in de stoel zitten en dan sliep ik al. En hij zei: ‘Dat houd je niet vol.’

Er waren een paar mensen waar mijn man ook goed mee praten kon. En zij hadden ook ervaring, dat kon je merken. Als ik dan wat ontdekte dan kon ik met hun overleggen. Zij hadden toch wel een achtergrond, dat vond ik wel fijn. Dat het niet van die hele jonge mensen waren. Om zeven uur ’s ochtends gingen ze dan weg en om elf uur ‘s avonds kwamen ze. Ze sliepen op de bank en mijn man lag ook in de woonkamer. Dan zeiden ze: ‘Ga nu maar naar bed. Denk goed aan jezelf, straks moet je ook weer voort.’

En dan dronken wij een kopje thee samen ’s ochtends en een krentenbol gaf ik ze. Want ik ga ze niet nuchter wegsturen. Nee, dat doe ik niet. En ’s avonds had ik ook altijd voor ze. En een vrijwilliger die vond dat wel fijn. Die ging dan werken achter zijn computer. Hij zat daar dan in het hoekje met een lampje. Hij maakte iets met muziek en van alles. Ja, dat deed hij dan ’s nachts. En dan kwam ik ’s morgens op om halfzeven en zei hij: ‘Goh, is de nacht nu al om?’ Dan ging het zo vlug, want hij had natuurlijk die koptelefoon op.

Ja, ik vond het gezellig. Dan was mijn man nog een beetje duffig en dan gingen wij daar met een klein lampje zitten en een klein tafeltje, een krentenbolletje en een kopje koffie. Ze vonden het hier ook fijn. Ze vonden het fijn om op te passen hier, dat zeiden ze ook. Ze hadden mij ook bedankt.

Je kon merken dat ze niet met tegenzin naar ons toegingen. Ze waren allemaal even aardig. ‘Hoe is het hier?’ zeiden ze dan. En dan hadden ze een hele lijst en dan wisten ze al wanneer ze weer zouden komen. Het was goed georganiseerd hoor. Ja, heel goed. En als iemand een keer niet kon werd er gebeld:
‘Vind je het erg?’ zegt ze. ‘Ik stuur die wel.’
Ik zeg: ‘Als het veel moeite is laat dan maar zitten, ik doe het dan zelf wel.’
Maar dan regelden ze toch wel iemand.”

Nog geen reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Uw reactie verschijnt na goedkeuring door onze redactie. U ontvangt een mail als uw reactie is geplaatst.