Nog alleen een versje uit de Koran

Overlijden, maar niet in je land van herkomst. Onderweg naar de begraafplaats komen allerlei herinneringen boven. Het indrukwekkende overlijden van oom Sitki, de keuze om zijn schoonmoeder niet in het vaderland te begraven en het Turkse begrafenisbusje dat leek op het busje van een groenteboer. Samen met zijn vrouw en zijn zoontjes loopt hij met de potjes bloemen en het tuingereedschap over de Islamitische begraafplaats in Schiedam.  ‘Waarom mag je niet op het graf lopen papa? Waarom geven we water aan het graf? Wordt oma dan niet nat?’ Het opfleuren van het graf maakt ruimte voor vragen, herinneringen, gebed en een blij gevoel. 


Ondanks het feit dat we dichter bij de begraafplaats kwamen, was er niets aan de hand. Terwijl ik altijd een beetje bang was geweest van begrafenissen en begraafplaatsen. Ik was erg jong toen mijn broer stierf, en mijn tante daarvoor, en mijn oom vlak daar achteraan. Volgens mij was ik het meest onder de indruk geweest van het overlijden van mijn oom Sitki.

De man van mijn oudste tante was altijd als een broer voor zijn zwagers – en ze zijn met velen – ze stonden allemaal bij hem in het krijt. Ook wij. We woonden in hun huurhuis voor heel weinig. Ik was twaalf. Hij had twee dagen geleden een beroerte gehad. We werden die nacht wakker gemaakt door onze buurvrouw (en zijn schoonzus) die onze deur kapot klopte.

‘Hij is dood! Hij is dood! Haast jullie! Hij is dood!’ Riep ze de hele tijd huilend. We haasten ons in onze pyjama’s naar het huis van mijn oom aan de overkant van onze straat. Ik liep naar de kamer waar mijn oom lag. In iedere kamer hoorde je een jankende, schreeuwende menigte. Niemand zag elkaar in dat gejank en gejammer. Als het lichaam van mijn oom die daar lag weg zou lopen zou het niemand opvallen dacht ik even. Gelukkig heeft hij het niet gedaan om mij te matsen en bleef hij daar in het midden van de kamer liggen. Ze hadden zijn hoofd met een tot een touw gewisseld doekje vastgemaakt met een knopje boven zijn hoofd. Hij leek zo op de mannetjes in tekenfilms die kiespijn hebben en een verband om hun kaak vastknopen. Er lag een mes midden op zijn romp.

Terwijl de imam fluisterend de koran zat te lezen, zaten mannen tegen elkaar te vertellen wat een goed mens hij was geweest. Vrouwen zaten om mijn tante heen, probeerden haar te troosten terwijl ze jankend in een pittig gesprek was met god.

Ik heb die beelden nooit vergeten. In latere jaren heb ik begrafenissen altijd gemeden.

Zelfs toen Lale’s moeder overleed (ik was smoorverliefd op Lale) ben ik weggebleven. En ze sprak heel lang niet meer met mij.

….

Terwijl ik op de parkeerplaats van de begraafplaats reed, voelde ik de vreugde die je voelt als je een familielid bezoekt die je heel lang niet hebt gezien. Ik moest denken aan de begrafenis. Mijn schoonmoeder had het gevecht na 13 jaar met de ziekte verloren. De laatste maanden wist ze gewoon dat ze aan het einde was gekomen, maar ze jammerde noch huilde. Ze wilde met een opgeheven hoofd doodgaan. Ze gaf directieven over de begrafenis en wie uit te nodigen en dergelijke. Eerst zei ze een tijdje dat ze naast haar vader begraven wilde worden op ‘het eiland’. Maar het feit dat het een Grieks eiland was maakte de situatie complexer voor een ex-Griekse Turk. De papierenwinkel kon wel weken duren. We hebben haar uiteindelijk overgehaald om hier begraven te worden. De Islamitische begraafplaats op Beukenhof in Schiedam was voor alle kinderen op een redelijke afstand. We hebben de Islamitische uitvaartverzekering gebeld en de details besproken. Toen ze haar laatste adem uitblies was ik thuis met de kinderen, maar mijn vrouw, haar twee broers en mijn schoonvader waren allemaal bij haar. Ze hadden heel stil, huilend vanbinnen afscheid genomen van haar. Terwijl mijn vrouw haar moeders ogen dicht deed had ze tegen haar gezegd: ‘Dank je wel mama, je bent een fantastische moeder geweest voor ons allemaal’ en ze gingen door met stilletjes huilen.

We besloten om haar twee dagen later te begraven, zodat ook de familie uit het eiland kon komen. Het huis liep twee dagen lang vol met Roosendaalse Turken. Al die mensen (eerste generatie gastarbeiders) met wie ze meer dan 30 jaar alles hadden gedeeld kwamen langs. Heleboel daarvan kende ik daarvoor niet eens. Toen een van hen hoorde dat we haar in Nederland zouden begraven wist hij niet wat hij meemaakte. ‘Hoe kunnen jullie dit haar aandoen? Je moet in je vaderland begraven worden en niet hier in het buitenland!’ zat hij te mopperen, maar we zijn er niet op in gegaan en hebben hem gewoon genegeerd. Mijn schoonmoeder zei weleens: ‘Als je de staart van het paard in de menigte knipt, zegt de ene te kort en de andere te lang’. We hebben er geen punt van gemaakt. Een echt punt van zorg kwam iets later: het busje van de uitvaartverzekering.

Op het donkerblauwe uitvaart(bestel)busje waren bereikbaarheidsgegevens zoals mobiele telefoon en dergelijke gedrukt met felle kleuren. Het was net het busje van de groenteboer. We hebben haar lichaam van het mortuarium opgehaald en als eerbetoon, reden we voor de laatste keer langs de straat waar ze maandenlang niet meer terug was geweest. De buren met wie ze al 30 jaar in de straat woonde hadden nu een nieuw vooroordeel erbij: “Begrafenisbusje van Turken is net het busje van de groenteboer.’

Omdat de chauffeur onderweg naar de begraafplaats met honderdveertig over de snelweg scheurde, waren de achtervolgers de weg kwijtgeraakt. Of ze kwamen verlaat aan omdat ze zich hielden aan de maximumsnelheid honderdtwintig of honderd kilometer per uur. Eenmaal aangekomen beleefden de mensen weer een kleine schok toen de deuren van het busje opengingen. De ogen van de aanwezigen zochten mijn schoonvader. Er lagen namelijk twee kisten achterin het busje en de mensen wilden weten of mijn schoonvader met eigen vervoer was aangekomen of in de tweede kist. Maar er was plek voor twee kisten in het busje en beide kisten zaten altijd achterin zei de chauffeur. Misschien was die ene lege kist af en toe nodig al je honderdveertig rijdt op een stuk van honderd.

Ik heb de auto op het terrein van de begraafplaats geparkeerd. Omdat hij vijf jaar was toen mijn schoonmoeder twee jaar geleden overleed kon Selçuk zich zijn oma nog net herinneren; Timur was daar te klein voor maar dacht wel haar te herinneren omdat overal in huis de foto’s van oma hangen. Toen de auto stil stond zei Timur ‘mijn oma is dood!’ en keek hij zoals elke keer naar onze gezichten in de spiegel om onze reactie te kunnen zien. Met een halve ‘ja’ zijn we uit de auto gestapt. Uit de kofferbak hebben we de bloemen, aarde, hark en schep gepakt die we hadden meegenomen. Ook de kinderharkjes van plastic gaven we aan de kinderen en liepen richting de Islamitische begraafplaats. Er waren twee nieuwe graven bijgekomen. Gezien de overlijdensdata kozen steeds meer moslims (meestal Turken) om hier begraven te worden. Ieder jaar kwamen er meer graven bij dan in de voorgaande jaren. Ik was altijd het meest onder de indruk van de kinder- of babygrafjes. Meestal waren ze een paar dagen oud, soms een tweeling. Qua aantal waren ze meer dan de volwassenen.

….

Eerst hebben we de dode planten verwijderd en de bloemen geknipt, daarna hebben we de nieuwe aarde over de glibberige, kleverige aarde heen verspreid. Mijn vrouw haalde de planten en de bloemen die we hadden meegenomen uit de plastic potjes en plantte ze keurig op het graf. Ik kon zien dat ze dat een leuke bezigheid vond. Ze zorgde als het ware voor haar moeder net als toen in het verzorgingstehuis. Ze maakte haar gezicht en handen schoon met een washandje, kamde haar haren, kussen zacht geslagen, lakens rechtgezet, planten water gegeven. Terwijl ze dit deed heerste er een ceremoniële sfeer. Ik was tegelijkertijd bezig met water brengen voor haar én vragen te beantwoorden van de kinderen over de dood en overleden mensen.

‘Waarom mag je niet op het graf lopen papa? Waarom geven we water aan het graf? Wordt oma dan niet nat? Waarom zijn die kindertjes dood? Ze zijn toch niet groot geworden?’

Na een minuut of 20 leek het verzorgde, fleurige graf passend bij deze zonnige 1 april dag, blij en lachend naar ons toe te kijken, zo van “en nog alleen een versje uit de koran?”

Toen we klaar waren liepen we richting de parkeerplaats met een goed en blij gevoel, wetende dat het graf zo dicht bij ons was dat we altijd konden komen wanneer we wilden.

Selçuk hield mijn hand vast terwijl hij normaal graag los loopt, keek naar mij en zei:

‘Ik ga nooit dood.’

‘Is goed’ zei ik ‘dan kun jij eeuwig voor de planten van mijn graf zorgen.’

Over de schrijver

Atilla Ipek woont samen met zijn vrouw Fatos en twee zoontjes in Nederland. Hij vertelt over zijn ervaring met het overlijden van zijn schoonmoeder, zij is met de eerste generatie gastarbeiders vanuit Turkije naar Nederland gekomen.

 

1 reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Uw reactie verschijnt na goedkeuring door onze redactie. U ontvangt een mail als uw reactie is geplaatst.

  1. Fatos Ipek - 6 mei 2019

    We zouden veel meer moeten praten over leven en dood in het land van aankomst. Met professionals, met migranten. Als ervaringsdeskundige spreek en schrijf ik over dilemma’s en problemen hierover. Met als doel bruggenbouwen tussen wittr professionals in de zorg en migranten (mantelzorgers). Bel of mail mij gerust http://www.fatosipek.nl #kennisismachtdeleniskracht