Als hoofd en hart botsen

Wat doe je als je dochter het liefste van alles wil sterven? Als ze poging na poging doet om dit te realiseren? Als ze zelfs voor lief neemt dat ze haar hondje Jip hierbij moet achterlaten? Ik zorgde, regelde, ving haar op. Stelde vragen, probeerde me in haar te verplaatsten. Liep op het wankele randje van de toegewijde, onbevooroordeelde luisteraar en de vader die grenzen moet stellen. Die haar niet binnenliet nadat ze was weggelopen uit een kliniek, ze zat daar immers op de juiste plek. De vader die een voorraad zorgvuldig opgespaarde medicijnen vond en wegbracht …Met mijn hoofd ben ik haar verlangen gaan begrijpen, maar mijn hart riep iets heel anders: ‘Blijf bij me!’ Met alle kracht en liefde in me heb ik haar weg van de duisternis willen sleuren maar ik moest inzien: dit kan en wil ze gewoonweg niet. Deze onmacht vond ik het allermoeilijkst.


Paola werd geboren als prematuur met alle lichamelijke gevolgen van dien. Op haar achtste verloor ze haar moeder, mijn vrouw; op haar tiende kreeg ik voor haar ogen een hartinfarct. Dit voedde haar doodangst, haar angst voor het leven, haar angst om verlaten te worden. Alle mogelijke begeleiding in- en buitenshuis, gedwongen en vrijwillig, is sindsdien ingezet voor haar. Maar eigenlijk ontwikkelde ze alleen maar meer klachten: ze was chronisch depressief, leed aan een slaapstoornis en een eetstoornis.

En natuurlijk was ze meer dan dit: ze was zacht en kwetsbaar. Sociaal, empathisch en humoristisch, graag gezien. Soms op-en-top vrouw, vaker het boze, gekwetste en vooral onzekere kind. Eigenwijs en volhardend, dat was ze ook. Zo weigerde ze de laatste jaren groepstherapie en dagbesteding, en had ze altijd een tweede agenda: medicijnen opsparen voor een nieuwe poging. Zo kreeg zij zelden de hoeveelheid en samenstelling pillen die haar psychiater zorgvuldig voor haar had samengesteld.

Net op tijd gevonden

In 2008 deed ze haar eerste poging tot zelfdoding. Dit was een schreeuw om hulp. In 2014 ging het om een uitgekiende poging om het leven te verlaten. Ze woonde op dat moment thuis en ik had het zeer zeker niet zien aankomen. De week ervoor hadden we het juist zo fijn gehad samen, was ze vrolijk. ‘Wat flik je me nou,’ heb ik gezegd, ‘heb ik al die jaren voor je gezorgd en alles voor je opzij gezet, stap jij eruit!’ ‘Pap, ik had de keuze gemaakt, de datum geprikt en dat luchtte enorm op,’ legde ze later uit. Ze werd weer gedwongen opgenomen en ondervond de genadeloosheid van de bezuinigingen in de GGZ: het duurde echt té lang eer ze een vaste psychater toegewezen kreeg.

Om haar afscheid minder traumatisch voor ons te maken, bewandelde ze de weg van euthanasie, een complexe en langdurige weg, waarbij geen psychiater het aandurfde om medewerking te verlenen. Dit resulteerde in meerder pogingen tot zelfdoding. Ondertussen ging ze zichzelf steeds meer snijden, een vaardigheid die ze in een kliniek van medepatiënten had geleerd. Maanden achtereen zat ik elk weekend met haar in het ziekenhuis om de vaak enorme wonden te laten hechten. Niet om aan te zien.

Voorjaar 2016 kreeg ik voor het eerst het gevoel: ik trek het niet meer. Na een gesprek met haar psychiater besloot ik: jij hebt het recht om jezelf kapot je maken, maar je hebt niet het recht om mij kapot te maken. ‘Meid,’ zei ik, haar veilige haven, ‘ik moet een stapje terug doen. Je zult een keuze moeten maken.’ Iedereen wist wat dit betekende: een keuze voor het leven of voor de dood.

 

Telefoontje van ambulanceverpleegkundige

Toen ik door de ambulanceverpleegkundige op 9 juli 2016 werd gebeld, was ik in Antwerpen een dagje uit: ‘We hebben uw dochter gevonden en gaan haar tóch meenemen naar het ziekenhuis.’ Toch, omdat naast haar lichaam haar euthanasieverklaring, voltooid-levenverklaring, niet-behandelverklaring en de volmacht op mijn naam lagen. Een vriendin had alarm geslagen. Ik heb mijn zoon gebeld en ben snel naar Roosendaal gereden. De situatie was kritiek. Men wist niet goed wat te doen. Ze kreeg zuurstof, omdat dit per se nodig was. In overleg met de artsen werd besloten hiermee door te gaan. Want stel dat ze toch zou bijkomen en hersenbeschadiging zou hebben opgelopen door zuurstoftekort? Nee, dat kon ik niet over m’n hart verkrijgen.

De volgende dag bezocht ik Paola’s appartement en zag ik dat ze haar suïcide heel zorgvuldig had voorbereid. Er lag een brief voor iedereen die die voor haar belangrijk was. Haar appartement was blinkend schoon, de vuilnisbak leeg, rekeningen betaald. Voor haar was dit een finale stap. De vrijdag ervoor had ze een gesprek gehad met haar psychiater die haar gedwongen wilde laten opnemen. Dit niet meer, moet ze hebben gedacht.

Bij mijn aankomst op maandagmorgen 11 juli in het ziekenhuis, zag ik nog net dat er een verpleegkundige met een kar haar kamer verliet. Er was een longfoto gemaakt, omdat ze een ontsteking vermoedden. Door mijn werk als hospicevrijwilliger en rouwbegeleider weet ik dat een longontsteking vaak wordt aangewend om iemand met dementie een zachte dood te geven. In goed overleg met onze huisarts en haar psychiater heb ik haar artsen verteld dat wij deze mogelijke complicatie niet wilden laten behandelen. Ondertussen kwam Paola bij. Het eerste dat ik tegen haar gezegd heb, is: ‘Je bent in het ziekenhuis, me wordt niet behandeld en je mag sterven.’

Met paniekaanvallen wakker

De longontsteking zette door en de sfeer veranderde. De artsen wilden de huisarts en de psychiater zelf spreken. Zij kreeg bezoek van de ziekenhuispsychiater, de enige tegen wie ze gedurende deze dagen het woord heeft gericht. Want was Paola wilsbekwaam toen ze de volmacht tekende? Het was ook een absurde situatie voor de behandelaars: in hun ogen komt er een gezonde, jonge vrouw binnen die een suïcide pleegt en hiervan bijkomt. Hun werk draait om het genezen van mensen en dan opeens verschijnt er een vader die zegt: laat haar sterven. Alle begrip. Ook voor hun weerstand. Deze situatie vroeg om alle mogelijke zorgvuldigheid.

Paola kreeg een eigen kamer toegewezen op de afdeling oncologie. Ze raakte steeds benauwder. Ik vroeg of ze haar Haldol en morfine wilden geven. Zo gebeurt dit in het hospice ook om mensen comfortabel te krijgen. Maar waar palliatieve zorg nodig was, ondernam niemand actie. Tenminste, ze kreeg een kalmeringspil terwijl ze niet meer kon slikken. ‘Over een paar uur heeft een andere psychiater dienst die flexibeler is,’ kreeg ik te horen. En inderdaad, deze man schreef Haldol en morfine voor, waardoor ze redelijk oké was.

Op dinsdag werd Paola steeds met paniekaanvallen wakker, doodsbang om te stikken. Ik vroeg of zij het slaapmiddel Dormicum kon krijgen. De arts weigerde mee te werken aan een volgens hem vooropgezet plannetje. De moed zakte me in de schoenen. Alsof ik dit als vader ooit gewild zou hebben. ‘Moet ik haar nog naar het hospice brengen om haar op een menselijke manier te laten sterven?’, fulmineerde ik. Hij zegde het middel toe, maar het duurde uren voordat het er was en de dosering bleek keer op keer te laag te zijn, waardoor de paniekaanvallen bleven komen. Verschillende artsen en protocollen verder verscheen er iemand die ingreep. Binnen een kwartier gleed Paola in een diepe slaap. Het was inmiddels dinsdagavond elf uur.

Iets na zessen werd ik de volgende ochtend in de stoel naast haar bed wakker uit een hanzenslaapje. Ik keek haar aan. Nog drie keer haalde ze adem en daarna was het afgelopen. De uitdrukking op haar gezicht was intens rustig en tevreden. Haar strijd was gestreden. Mijn strijd ook. Wat blijft, is een groot gemis. Een enorm verdriet.

 

Over de schrijver

Korine van Veldhuijsen is schrijfster en geeft schrijfcursussen. In haar boek Aan het sterfbed staan intieme verhalen van naasten die vertellen over een overlijden dat hen diep heeft geraakt. Hiermee wil zij opnieuw meer kleur geven aan de berichtgeving over het sterven, een proces waarin velen diepe betekenis ervaren. Eerder schreef zij Hoe overleef ik mijn dood? Een boek over lijden.

Bron: Velduijsen, van K. (2018). Aan het sterfbed. Utrecht: AnkhHermes

 

 

1 reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Uw reactie verschijnt na goedkeuring door onze redactie. U ontvangt een mail als uw reactie is geplaatst.

  1. E Geesink - 20 juni 2019

    Je bent uit behandeld dan val je in een zwart gat als de huisarts niet zo regelmatig bel of langs komt en de Oncoloog het lastig vind als je bel waar zoek je dan hulp