De laatste uren

door: Ilse, zorgvrijwilliger

De laatste uren

Enkele weken geleden heeft Geertje me gevraagd of ik bij haar euthanasie wil zijn. In de tijd tussen toen en nu hebben we veel gepraat en geregeld. En dan is nu het moment aangebroken…

Ik weet niet wat ik kan verwachten deze laatste avond voor Geertjes euthanasie. Als ik haar kamer in het zorgcentrum binnenstap, begint Geertje onbedaarlijk te huilen. Corona of niet, dit is zo’n moment waarop nabijheid geen keuze is. Ik sla mijn arm om haar heen en wacht tot ze uitgehuild is. Ze snikt dat ze zo blij is dat ik er ben. De dag is haar zo lang gevallen, alles was al gezegd en gedaan. Van de paar mensen in haar omgeving had ze al eerder afscheid genomen.  Een doodskamer omschrijft Geertje haar kamer, waar de minuten maar niet voorbij willen gaan. Een eindeloos lange dag waarop ze wacht op haar zelfverkozen einde en elke seconde wel een uur lijkt.

Gelukkig is het me gelukt om zonder al te veel verwachtingen deze avond in te gaan. Want dat het een avond werd met commerciële zenders waarbij het geluid alles overstemt had ik niet gedacht. Maar wat dan wel… dat wist ik ook niet. Alles was immers al gezegd en gedaan. Mijn gedachten gaan terug naar het moment dat het zorgcentrum weer openging. Toen raakte het euthanasietraject tot Geertjes opluchting in een stroomversnelling. Ze heeft alle gesprekken in haar eentje gevoerd tot een week geleden het verlossende telefoontje kwam. In overleg is de datum voor 10 dagen later vastgesteld. Ik denk aan de vele gesprekken die Geertje en ik samen hebben gevoerd: haar vraag of ik bij de euthanasie aanwezig wil zijn, de uitvaart, haar zorg om haar zoon, het uitruimen en verdelen van haar spullen, en vooral ook veel terugkijken op haar leven. Ik vraag geen enkele keer of ze nog achter haar besluit staat, want dat geeft ze in niet uitgesproken woorden keer op keer duidelijk aan.  Geertje vertelt ook meerdere malen dat ze deze vraag ervaart alsof ze zichzelf moet verdedigen voor haar keuze. En ik wil en kan haar keuze begrijpen en respecteren: ze is een dame die haar besluit heeft genomen en hier duidelijk opgelucht over is. En erna toeleeft, het duurt haar te lang. Want in afgelopen weken heeft Geertje haar strijd met de drank weer ervaren. Stomdronken is ze geweest na de twee liter Beerenburg: ‘Drank is een sluipmoordenaar, daar kan je het nooit van winnen,’ legt ze uit.

Ik breiend met af en toe een opmerking over dat wat er zich op tv afspeelt, tikt de tijd voorbij. Geertje is bij vlagen onrustig, vertelt uit het niets over haar leven, pakt een zak nootjes en gooit in de keuken een aantal dingen in de prullenbak. Die heeft ze nooit meer nodig, zegt ze. Vervolgens steekt ze de zoveelste sigaret op. Of ik de overgebleven pakjes wil hebben. Ze vergeet even dat ik al jaren gestopt ben met roken. Ondertussen zitten we in een vertrouwde eenheid te wachten op de nacht en peuzelen de zak nootjes leeg. Ik heb met Geertje afgesproken dat ik wacht tot ze slaapt om daarna zelf thuis een paar uurtjes rust te pakken. Het is een vreemde ervaring om Geertje welterusten te wensen. Ze ziet, ondanks de extra medicatie, erg tegen de nacht op. Met een extra pakje sigaretten op haar nachtkastje, sluip ik even later haar kamer uit. Geertje slaapt. Met een onwerkelijk, maar ook rustig gevoel fiets ik de warme zomernacht in.

De volgende ochtend zit ik, na een onverwacht diepe slaap, uitgerust naast Geertjes bed te wachten tot ze wakker wordt. Ik probeer de ochtend te overzien tot 13.00 uur wanneer  de euthanasie plaats zal vinden. Naast het bed hangt de jurk waar Geertje in wil sterven. Deze moet het zijn en daar wil ze ook in gecremeerd worden. Ze gaat straks douchen en de jurk meteen aantrekken. Geen gedoe meer nadat ze is gestorven. Mijn ogen trekken regelmatig naar de jurk. Ik kan me niet voorstellen dat ze daar over enkele uurtjes mee in een kist ligt. Om mijn gedachten tot rust te brengen, ga ik verder met dat wat er de komende uren staat te gebeuren. Straks zal een verpleegkundige het infuus aanbrengen, daarna komt haar zoon en rond twaalf uur wil ze haar laatste borreltje drinken. Dit helpt me om de ochtend te ordenen. Ik ben gespannen, een beetje zenuwachtig en niet bang. Eigenlijk ook best een beetje nieuwsgierig. Op het moment dat ik deze gedachte op voel komen schaam ik me. Hoe kan ik dat nou denken. Dat hoort toch niet. Toch is ook dat een gevoel wat speelt. Terwijl ik naar de nog slapende Geertje kijk voel ik ontroering en liefde. Liefde voor een medemens. Misschien is het ook wel mededogen. Zo speur ik mijn eigen gevoelens af, tot Geertje even later haar ogen opent. Verward kijkt ze om zich heen. Als ze mij ziet, weet ze meteen wat voor dag het is. Ze zucht ‘eindelijk’ en komt omhoog om uit bed te stappen. In haar dunne pyjama streelt ze met haar hand over haar hoofdkussen en zegt zacht ‘dat was de laatste nacht’, waarna ze meteen in de actiestand schiet. Of ik koffie wil, heb ik al iemand van de zorg  gezien en in de keuken pakt ze haar elektrische tandenborstel van het aanrecht en mikt deze met een ‘die heb ik ook niet meer nodig’, in de prullenbak. Ze rommelt nog wat rond en komt dan op de geur van de koffie af. Op haar vaste plekje in de stoel voor het raam drinkt ze haar bijna laatste bakkie. De hitte dringt tussen de kieren van de gordijnen en zonnescherm naar binnen. Het belooft een snikhete dag te worden. Maar buiten bestaat even niet meer. Alle aandacht is in het hier en nu.

Als Geertje later fris gedoucht en in haar mooiste jurk weer in haar stoel zit, begint het aftellen van de tijd die haar scheidt tot haar dood. We kletsen wat over ditjes en datjes en veren op als de ambulancebroeder een infuus komt zetten. Alle afleiding is welkom. Ik kijk met bewondering naar de jonge verpleger die in alle rust zijn werk doet. Door zijn open houding en hij aangeeft dat hij weet waarvoor dit infuus bedoeld is, geeft hij Geertje alle respect die ze voor mijn gevoel verdient. Met bewondering en blijheid voor Geertje ben ik toeschouwer van dit intieme moment. Ondertussen is er vanaf het begin van de ochtend het regelmatig terugkerende geluid van boren. Alsof ze door de muur heenkomen. Het dagelijkse leven in de instelling gaat door, hoewel de tijd hier in deze kamer verstild is. Ik doe wanhopig mijn best om op de momenten van het boren Geertje af te leiden en haar emoties niet de overhand te laten krijgen. Ze windt zich enorm op, dreigt boos te worden en haar hoofd slaat op hol. De ‘zuster’ heeft doorgegeven dat het vanaf 12.00 uur stil zal zijn. Eerder kreeg ze niet voor elkaar. Ik zit op hete kolen en erger me vreselijk dat dit niet anders kan.

We wachten op zoon Evert. Geertje moppert: ‘Zoals altijd is hij weer te laat’. Om de tijd te doden checken we samen of alles toch wel echt geregeld is: het schrift met alle aantekeningen, het nummer van de uitvaartvereniging, foto’s voor haar zoon en het aantekenboek waarin ik haar wensen vast heb gelegd. Als Evert binnenkomt, gespannen, angstig en onzeker, hebben we weer een stap in de tijd gezet. De begroeting tussen moeder en zoon verloopt stroef. Als ik kennis heb gemaakt met Evert en hem een kop koffie heb voorgezet, steekt Geertje van wal. Ik weet niet wat ik meemaak. De dynamiek is totaal veranderd en ineens zie ik een heel andere kant van Geertje. Met haar ogen strak op Evert gericht begint Geertje haar levensverhaal met alle vreselijke dingen die ze heeft meegemaakt, over haar zoon uit te strooien. Op een dwingende manier laat ze constant merken dat ze slachtoffer was, er niks aan kon doen en ze zichzelf vrijpleit van schuldgevoelens naar haar zoon. Evert zit er verslagen bij en kan zijn blik niet losmaken van z’n moeder. Moeders ogen dwingen. Ik ben overdonderd en weet niet wat ik met de situatie aan moet. Ik voel me op een bepaalde manier verantwoordelijk en weet tegelijk dat dit iets is tussen moeder en zoon waar ik maar het beste buiten kan blijven. Het enige dat ik weet te bedenken is Evert nog een kop koffie aan te bieden. Maar dat helpt weinig, de woordenvloed en verwijten zijn niet te stuiten. Tot de woordenstroom stopt en Geertje me vraagt haar een borreltje in te schenken. Evert verschiet van kleur en de verwarring wordt nog groter. Alcohol, dat vergif wat zijn moeder kapot heeft gemaakt! Ik denk mijn eigen angst in de zoon weerspiegeld te zien. Wat als Geertje dronken wordt, ik het niet in de hand heb, Geertje agressief wordt en ze dronken niet wilsbekwaam zal zijn… Stel je voor dat de euthanasie dan niet door kan gaan. Ik kan niet anders dan tegen Geertje zeggen dat ik haar een borrel inschenk, maar als ze te veel gaat drinken, ik zoals eerder afgesproken,  de drank door de gootsteen zal spoelen. Maar wat er dan gebeurt hadden zowel Evert als ik niet voor mogelijk gehouden: Geertje nipt met veel plezier aan haar borreltje en geniet. ‘Ik heb nog nooit zo’n lekker Beerenburgje gedronken.’ Op slag smaakt dat hele kleine glaasje van mij ook lekker. Ik had beloofd om samen met Geertje haar laatste borrel te drinken. Evert zit er verbijsterd bij en weet niet wat hij met de situatie aan moet. Ik besluit om op dat moment alle aandacht te schenken aan de gezamenlijke, afsluitende borrel. Evert is even minder belangrijk. Anders lukt het me niet om er voor Geertje te zijn. En dat is wat ik me had voorgenomen. Geertje geniet en zit tevreden in haar stoel. Ineens lijkt de tijd veel sneller te gaan. Als Geertje haar laatste slokje heeft genomen, wordt er aangeklopt. Voor de deur staan een arts en verpleegkundige van het Expertisecentrum Euthanasie.

De tijd bevriest en ik neem met al mijn zintuigen waar wat er gebeurt. De laatste vraag of dit is wat Geertje wil. Haar duidelijke en resolute ja. De rust van arts en assistent, de angstige ogen van Evert en de stilte die er op de gang heerst. Van buiten hoor ik zomerse geluiden die meteen ook weer verwaaien.  Op de vraag waar Geertje wil overlijden, geeft ze aan dat ze op bed wil liggen. Voor dit speciale moment is het bed verschoond met haar mooiste, zonnig gebloemde dekbedovertrek. Of ze zover is. Geertje knikt en komt overeind en doet twee stappen richting haar bed. Dan verstijft ze en breekt in huilen uit. Niemand zegt wat. Geertje probeert een stap te zetten, maar dat lukt haar niet. Als bevroren staat ze huilend in de kamer. Ik kan het niet aanzien. Haar eenzame strijd overvalt me en tegelijk besef ik ook dat ze deze stap echt zelf moet zetten. Alle gedachten vliegen door me heen terwijl ik opsta en naar haar toeloop. Ik bied haar mijn arm aan om op te leunen. Een laatste snik en dan loopt ze gedecideerd naar haar bed en gaat liggen. Klaar om haar leven af te ronden.

De arts en verpleegkundige nemen naast het bed plaats. Zoon Evert aan de andere kant van het bed, naast zijn moeder en ik zit op het voeteneind. Terwijl de verpleegkundige uitlegt wat er gaat gebeuren, pakt Geertje de hand van haar zoon vast en zegt ‘ik wil sterven met het beeld van mijn zoon op mijn netvlies.’ Evert schuift ongemakkelijk heen en weer en voelt zich gevangen in de doordringende blik van zijn moeder. De twee kijken elkaar onafgebroken in de ogen en als toeschouwer denk ik een heel leven weerspiegeld te zien. Maar naar mijn idee ook twee totaal andere verhalen. Het maakt me verward en ik schuif wat ongemakkelijk heen en weer. En dan gaat het snel: het slaapmiddel wordt ingebracht en Geertje houdt met veel moeite haar ogen indringend op haar zoon gericht. Evert zegt dat zijn moeder haar ogen wel mag sluiten, maar Geertje wendt haar blik niet af. Dan wordt het definitieve middel ingespoten en stopt eigenlijk direct de ademhaling. Met wijd opengesperde ogen is Geertje gestorven. Evert zit nog gevangen in haar blik. De arts zegt zachtjes tegen Evert dat hij de ogen van zijn moeder wel mag sluiten. Dat doorbreekt het moment en Evert sluit met een zacht gebaar zijn moeders ogen. We blijven nog een tijdje rondom het bed zitten, ieder met eigen gedachten. Als de arts en verpleegkundige zijn vertrokken, begint Evert te praten. Over vroeger, zijn relatie met zijn moeder, zijn boosheid en onmacht. Ik luister en merk dat ik in de war raak. Waar ligt mijn loyaliteit, wat heb ik niet willen zien, of kunnen zien, wat heb ik gemist, heb ik me zo voor de gek laten houden…? Mijn gedachten en gevoelens staan even totaal op de kop. Dan zie ik Geertje liggen en voel ik weer waarom ik deze weg met haar ben gegaan. En daar hoorde volledige loyaliteit bij. Het is maar goed dat ik Evert niet eerder heb ontmoet. De corona-stilte heeft Geertje en mij de kans gegeven om haar leven af te ronden. Ik heb voor wat lichtpuntjes gezorgd en Geertje heeft niet in haar eentje hoeven sterven. Dat beseffend kan ik schakelen naar het hier en nu. Eerst wat eten, want er volgt nog een lange middag!

Als ik 5 minuten later op de gang een broodje zit te eten, merk ik dat ik helemaal bibber. En dat is niet alleen van de honger… Een verzorgster vraagt lief of het wel goed met me gaat. Ik knik en waardeer de zorgzame blik. Uit de situatie maakt dat ik mijn eigen emoties beter toe kan laten. Verdriet, opluchting en een kleine traan brengen me bij dicht bij mezelf. Ik neem even de tijd om alles te laten bezinken. Voor zover dat nu mogelijk is. Evert wil graag dat ik blijf totdat Geertje naar het uitvaartcentrum is gebracht en de crematie is geregeld. Voor we tot actie over gaan, lopen we samen nog even naar de slaapkamer en staan in stilte een tijdje bij het lichaam van Geertje. Een sprekende stilte, waarin we allebei op onze eigen manier de volgende stap proberen te zetten.

Ruim anderhalf uur later arriveert de uitvaartbegeleider. Een eenvoudige kist volgt even later. Bizar, nog geen drie uur geleden dronk Geertje haar laatste borrel, liep ze naar bed en nu wordt haar levenloze lichaam gekist en het huis uitgedragen. Aangezien ik zelf sterk de behoefte voel om dit goed af te ronden, stel ik Evert voor om samen de kist naar de rouwauto te begeleiden. In gezamenlijke stilte en beiden met eigen gedachten zien we de wagen wegrijden. Ik merk hoe goed dit moment mij doet, ik laat haar niet in haar eentje gaan, zo voelt het. Tranen worden weggeveegd alvorens de begrafenis wordt geregeld. Als de uitvaartbegeleider weggaat, drinken Evert en ik nog een kopje koffie en nemen we afscheid. Ik laat de huissleutel bij hem achter en dit gebaar doet me intens voelen dat ‘het erop zit.’  Met een ‘we zien elkaar donderdag bij de uitvaart’ neem ik de lift naar beneden en sla voor de laatste keer de voordeur achter me dicht. In een verstikkende hitte fiets ik naar huis. Als ik een uurtje later fris gedoucht en met een liefdevol klaargemaakte maaltijd achter een glaasje wijn zit, slaat de moeheid toe. De emoties en woorden buitelen over elkaar heen. Gelukkig kan mijn partner goed luisteren. De wereld voelt nog onwerkelijk, ik moet weer indalen in mijn eigen leven. En dat blijkt tijd nodig te hebben. Naast een intense moeheid, word ik ook regelmatig ’s nachts wakker met het beeld van Geertje op mijn netvlies. Alles komt voorbij, het is alsof ik een ingedikte tijd weer uitrek naar de werkelijkheid.

In de tijd erna merk ik dat de beelden langzaam verdwijnen en overgaan in herinneringen. Herinneringen aan een bijzondere ontmoeting met een intens eenzame, gekwetste en gebroken vrouw. Regelmatig fiets ik langs het zorgcentrum waar Geertje woonde. Er hangen andere gordijnen en in plaats van een verzengende zon, dwarrelen nu de blaadjes langzaam van de bomen. Ik kijk dan even omhoog en voel hoe blij ik voor haar ben dat ze deze enorm moeilijke stap op dappere wijze heeft kunnen zetten. Dat ze niet meer achter het raam op de tweede etage dag in dag uit strijdt met en tegen het leven. Dankbaar dat ik in deze laatste fase van betekenis heb kunnen zijn zodat Geertje niet in eenzaamheid is gestorven.

1 reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Uw reactie verschijnt na goedkeuring door onze redactie. U ontvangt een mail als uw reactie is geplaatst.

  1. Renate Lens-van Dooren - 3 augustus 2021

    Kippenvel. Maar het is gegaan hoe Geertje wil. En uiteindelijk schreed ze bewust naar haar bed, omdat het haar tijd was. Knap, dat ze haar zoon zo gedecideerd is blijven aankijken. Zichzelf verwerend. Ze had een ander leven gewild met haar zoon, denk ik. Gezien haar tranen net voordat ze op haar bed ging liggen. Maar het is goed zo. Ze is verlost en ik heb respect voor de manier waarop ze werd bijgestaan. Ik hoop dat ik binnenkort ook zo mag sterven. Soms is de dood mooi. Liefs, Renate