Geen familie

Een heel kort, klein moment, kan diep raken. Hij verwachtte iets heel anders, toen hij zich voorover boog, zodat hij de gast beter kon verstaan. “Dat moment zal ik nooit vergeten, dat hij aan mijn aftershave ruikt en zegt: ‘mijn zoon’.”


“Er was een blinde man. Hij had geen contact meer met zijn familie. Ik wist niet dat hij ook nog kinderen had. Maar op het eind sprak hij zo zacht dat je wel heel dichtbij moest komen om hem te horen. En dat moment zou ik nooit vergeten. Dat ik mij vooroverbuig om hem te verstaan en dat hij aan mijn aftershave ruikt en dat hij zegt: ‘mijn zoon’.

En dat heb ik zelf een heel emotioneel moment gevonden. Want op zo’n moment kan je eigenlijk niets meer. Dat is een soort laatste moment waarop die man zich iets herinnert. Maar ik ben natuurlijk helemaal zijn zoon niet. Dus die duidelijkheid moet je dan wel creëren. Maar het is een vorm van nabijheid die dus gewoon niet klopt. En die je dus gewoon plompverloren in het gezicht valt. Dat heb ik altijd heel apart gevonden.

Het was iemand die al een aantal weken in het hospice was. Het was mij ook bekend dat hij amper of geen bezoek kreeg. Het was een stille man die gaandeweg steeds slechter werd. Dus op een gegeven moment kwam hij ook niet meer uit bed. Ik had er eigenlijk niet zo heel veel contact mee, omdat hij ook heel erg gesloten was. Tot die dienst. Het was een avond dienst. Hij was in de loop van de tijd steeds zachter gaan praten. En ik was wel meer dicht bij hem geweest met mijn hoofd, maar eigenlijk nooit zo’n reactie gehad. Tot die avond. En of ik nou net voordat ik naar de hospice ging iets op had gespoten? Ik denk het haast niet, dat doe ik normaal gesproken niet. Maar hij rook in ieder geval iets wat hem sterk deed denken aan zijn zoon.

En die kinderen die kwamen daar gewoon helemaal niet. En of hij nou één of meerdere zoons had, dat durf ik niet te zeggen. Hij had het in ieder geval over ‘mijn zoon’. Een soort vorm van herkenning en, hoe moet je dat zeggen, ongepaste nabijheid. Het verlangen aan zijn kant, dat ik denk van: ‘Ja, maar je hebt nu de verkeerde voor je. Hoe doen we dit?’ Je kunt dan ook niet zomaar in één keer zeggen: ‘Nee, ik ben het.’

Voor mijzelf was het een soort schok omdat ik in een positie kwam die mij niet toekwam. Dus dan is er een nabijheid waarbij eigenlijk de grens wegvalt, maar er valt een verkeerde grens weg. Dus je zit in één keer, om het plat te zeggen, in een verkeerd toneelstuk. En dat kan alleen maar eindigen in een teleurstelling omdat ik niet ben wie jij denkt.

Wat ik precies gedaan heb, weet ik niet meer. Ik heb het hem wel gezegd natuurlijk, dat ik zijn zoon niet ben. Dat kon ook niet anders. Het lijkt mij stug dat mijn stem ook nog op zijn zoon zou lijken. Maar omdat hij verder eigenlijk weinig zei, weet ik ook niet wat zijn laatste gedachten geweest zijn. Ik weet wel dat hij de avond daarop overleden is, dus het was echt het laatste stukje.

Als er dan een reactie komt: ‘mijn zoon’. Dan is hij er in ieder geval in zijn hoofd mee bezig, met: ‘Waar is mijn zoon?’ En die ruikt hij dan, terwijl dat dan misplaatst is. Wat gebeurt er dan in iemands hoofd? Dat is wat je bezighoudt. Welke gedachtes spelen er nou door zijn hoofd? En als je dan niet vertelt wie je werkelijk bent dan kom je in een leugenachtige situatie. Het enige wat echt werkt is eerlijkheid.”

 

Over de schrijver

Deze vrijwilliger van het hospice had nog nooit in de zorg gewerkt en was eigenlijk op zoek naar vrijwilligerswerk in de culturele sector. Bij toeval kwam hij bij het hospice terecht en daar voelt hij zich helemaal op zijn plek.

Nog geen reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Uw reactie verschijnt na goedkeuring door onze redactie. U ontvangt een mail als uw reactie is geplaatst.