‘Als je nu weggaat, het is misschien raar dat ik dit zeg, maar je vader gaat maar één keer dood’

Het kan zijn dat de familie van de gast heel anders reageert dan je verwacht aan een sterfbed. In dit geval vond de vrijwilliger het moeilijk om niet te oordelen. “Je wilt dan eigenlijk die mensen schudden en zeggen: ‘Dit is definitief. Dit komt niet meer terug’. Dat ze weten; je kan dit niet over doen.”


“Er was een moeder die opgehaald werd uit het verpleegtehuis, zij had alzheimer. ‘Nou, moeder is helemaal dement’, wordt dan gezegd. Dus ik stel mij voor en vraag: ‘Goh, gaat het goed?’ ‘Ja’, zegt ze. Ik zeg: ‘Moet u soms een plas?’ Ja, ik heb met ouderen gewerkt. ‘Ja, kan dat?’ ‘Ja, dat kan.’ Dus ik help die mevrouw naar de wc. ‘Ja, moeder is wel dement’, hoor ik dan meteen weer. En die zoon, die op een gegeven moment roept: ‘Ja, duurt het nog lang?’ ‘Dat moet u niet zeggen, want uw vader hoort alles.’ Dat vond ik zo erg. Sommigen fluisteren zoiets dan nog in de gang, ook vaak uit angst. Maar hij zei: ‘Ja, ik heb morgen nog een drukke dag. Ik moet nog naar Bolsward.’ Ja, dat zal ik ook nooit meer vergeten: ‘Ik moet naar Bolsward.’ Dat die zoon dat zei.

En die moeder zat zo ongelukkig. Ik zei: ‘Weet u wat, ik ga eens even een makkelijke stoel pakken, dan kunt u hier zitten en uw man zien en vastpakken. U zit zo ongelukkig.’’Nou, weetje’, zegt die zoon, ‘ik ga zo naar huis, ik moet naar bed, want ik moet morgen naar Bolsward. Ik breng mijn moeder naar huis.’ En die moeder zegt: ‘Maar ik ga niet wég.’ Dus zo dement was ze niet. ‘Ik ga echt niet weg.’ Toen zei ik tegen mijn collega: ‘Weet je wat? We maken een makkelijke stoel voor haar, dan kan zij slapen. Dan kan ze even onder een deken.’ Want dat menske was ook op, natuurlijk. Toen zei die vriendin van haar zoon: ‘Ik blijf wel bij je moeder hoor.’ ‘En hoe kom jij dan thuis?’, zei hij. ‘Nou er rijden ook nog taxi’s.’

Dus wij hadden die mevrouw geïnstalleerd, daar bij dat bed. En die man werd onrustig en benauwd. Wij toen maar wachten op die nachtdienst en van alles bedenken. En toen zei ik tegen die zoon: ‘U mag wel weggaan, maar als ik u was zou ik uw broer wel bellen, want het gaat niet zo heel lang meer duren.’ Dat zei ik op de gang. En hij ging die broer bellen. Er was onderling al hommeles in de familie. Eén dochter mocht niet meer komen, de andere dochter was goed gemaakt. Eigenlijk wil ik dat soort dingen niet weten. Maar goed, dat hoor je dan in zo’n verhaal.

Toen kwam de nachtdienst en ik zei: ‘Hij is zo onrustig, hij is heel oncomfortabel. Het gaat helemaal niet goed. Hij wordt benauwd en loopt vol.’ Zij heeft toen de dokter gebeld en hij kreeg morfine. Het was een heel mager mannetje en ik zag meteen het is voldoende, dit gaat helemaal niet goed.

Ik ging de deur opendoen, want de dochter kwam eraan. Ik zeg: ‘Oh kijk, er komt nog een autootje. Kent u die?’ ‘Weet ik niet, die auto kennen wij niet’, zegt ze. ‘Oh, dat is mijn broer.’ Wij wachten op die broer die komt. Ik stel mij voor. Voor de dochter is het teveel moeite om zich voor te stellen aan mij. En ze zei: ‘Hoe kom je aan die auto?’ ‘Ja, die is van vader geweest’, zei de broer. ‘Oh, heb jij die alvast ingepikt?’ Ik denk, nou, gaan we zo beginnen? ‘Komt  u maar mee hoor, want het gaat heel slecht met uw vader.’ Ik denk, we moeten maar snel naar die kamer toe.

Ik heb tegen mijn collega gezegd: ‘Haal die moeder even van de stoel, die moet naast het bed zitten.’ Dat zij erbij zit alvast, want dat had zij ook aangegeven: ‘Ik wil erbij zijn.’ En de anderen kwamen binnenlopen en het was al bijna gebeurd, twee keer ademhalen. En ik houd die vrouw vast. Zij zegt: ‘Is het nu echt gebeurd?’ ‘Ja.’ ‘Ik zie helemaal niet dat hij dood is’, zegt ze. Dus ik aai die vrouw nog een keer over haar arm. En die schoondochter begon te huilen. En die jongens: ‘Ja, wat nu dan. Wat gaan we nu dan doen?’ Ik zeg: ‘Nou, wat er nu gaat gebeuren, dat zal ik u zo even vertellen. Misschien wilt u even samen zijn hier.’ Meestal loop ik even weg, zodat ze even alleen daar kunnen zijn. En ik denk: ‘Pfff, wat ik hier mee moet, want die ene wil naar huis. Oh, jongens, dan hebben we het over het werk naar Bolsward, terwijl je vader net dood is.’ Ja, je weet nooit hoe die relaties zijn. Ik denk dan: ‘Gatver, heb dan een beetje respect. Al is het maar respect voor de dood.’ Een heel negatief gevoel krijg ik daarbij.

Toen gingen ze op de gang nog een beetje staan kissebissen over hoe of wat en over wie er wat moest doen. Er was toen een verpleegkundige gekomen, tegen wie ik zei: ‘Regel jij dat eens eventjes, want ik heb het nu een beetje gehad eigenlijk.’ En zij ging toen met hen afspreken wie er wilde blijven, wie er wilde helpen met de verzorging en zo. Maar dat was daar helemaal niet bij nodig. Er was niemand waarvan ik dacht, die wil straks wel komen helpen. Wij zaten op kantoor en bespraken wat wij nu gingen doen. Meestal bieden wij dan koffie aan en vragen of ze even of de bank komen zitten in het zitje. Maar er werd hier wat gesmiespeld en daar wat gesmiespeld. Toen werd er gebeld en kwam er nog iemand binnen en die liep ook zo door. Er werd een heleboel gebeld. Op een gegeven moment waren er vier telefoongesprekken aan de gang. Ik zei tegen mijn collega: ‘Ik weet niet wat ik hiermee moet. Wat moet ik hiermee? Ik weet het niet.’ Mijn collega zei: ‘Jullie kunnen wel naar huis gaan. Ik ga zo afleggen met de slaapwacht.’ Ik zei: ‘Nou, we gaan de familie een hand geven en wensen ze sterkte en we gaan weer.’ Ja, dat was heel raar. Je gaat dan naar huis en je hebt er een heel katerig gevoel bij. Heel weinig emoties, die waren er ook niet. En dat heb je wel vaker. Maar dan zie ik van die mensen die zitten tot hier, maar die willen dat niet met mij delen. Dat hoeft ook niet.

Bij ons in het hospice is het sterven een heel ding, dat hoort natuurlijk ook bij het hospice. En dan gebeurt het alsof de mensen het sterven nemen alsof het ook maar even moet. Ik denk dat het dat gevoel is. Je wilt dan eigenlijk die mensen schudden en zeggen: ‘Dit is definitief. Dit komt niet meer terug’. Dat ze weten; je kan dit niet over doen. Je kan alles overdoen in dit leven, maar sterven kan je niet overdoen. Het is net of ze dat niet doorhebben. Heel raar is dat. Dan denk ik, dat moet anders. Ik kan alleen weinig doen. Ik had het tegen die zoon al wel gezegd: ‘Als je nu weggaat, het is misschien raar dat ik dit zeg, maar je vader gaat maar één keer dood’. ‘Ja, maar ik heb toen hij opgenomen werd al afscheid genomen’, zei hij. En aan de andere kant dacht ik ook, misschien durft hij het niet aan. Dat kan ook. Misschien was het wel het niet mee willen maken. Ik weet het niet. En aan de andere kant, wie ben ik om daar een oordeel over te hebben natuurlijk. Maar dat vind ik wel lastige dingen natuurlijk.”

De gebruikte namen zijn om privacyredenen gefingeerd.

Over de schrijver

Deze vrijwilligster heeft, voordat ze bij het hospice kwam werken, altijd al in de zorg gewerkt, als verpleegkundige. Het enige verschil is dat ze nu echt tijd heeft voor de gasten. Wat is het fijn om even bij iemand stil te staan, even te luisteren, even te praten.

Nog geen reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Uw reactie verschijnt na goedkeuring door onze redactie. U ontvangt een mail als uw reactie is geplaatst.